maandag 4 juli 2011

Chinese gedichten

Hoe te reizen naar China in 1872


Onder het zeil zitten we

In een bamboe ligstoel

Met een boek in de hand

Maar we praten tegen


Een heer met strooien hoed

Terwijl onze dochter speelt

Met de hond. In haar hand

Een touw met houten bal.


De hond kijkt verstoord.

Haar pop ligt op de grond

En haar broer met pet ernaast.


De Arabische jongen op blote voeten

Staat klaar om iets te halen.


Een man en een vrouw gooien

Met ringen naar een houten cijferbord.

Ergens ligt een verrekijker

een opengeslagen boek , een lap stof.


We komen uit London

En reizen in achtenveertig dagen

Naar Hong Kong. De kinderen

Tot tien jaar mogen mee

Voor de halve prijs.

==


Volg de rivier in Jiang Nan

(Yang Jin (1644-1728)

Landschap in de stijl van Shen Zhou

Een man in rode kimono zit

Met gekruiste benen in

Een met takken bedekte hut.

Dezelfde man loopt op een brug.

Hij loopt voor zijn bediende

Die een guqin draagt, muziekinstrument.

Achter de heuvel loopt hij het bos in

Met een staf in zijn hand terwijl

De dienaar op een andere brug staat.

Na een derde brug praat de man

Tegen zijn knecht op een overdekte

vierde brug vlak voor een waterval.

Boven de rivier kijken zij uit

Over een immense watervlakte.

Op de begroeide kust halen vissers

Hun boten op het land. Alle

Gebeurtenissen gescheiden

In tijd en plaats, zijn verbonden

En de toeschouwer kan wandelen

In de heuvels en de structuur

Van het landschap beschouwen.

Kan niet zeggen of hij

In de natuur is of

De natuur in hem.


=

Henk in China



Henk, werktuigbouwkundige, bij de tombe van een koning

pas gevonden, tweeduizend jaar geleden begraven in een jas

van jade legpuzzelstukjes, aan elkaar genaaid met rode zijde.


In een zijkamer liggen twee concubines, de rechterdame

en de linkerdame van wie de asresten zijn geidentificeerd.

Levend naar binnen gebracht, als gezelschap voor de koning

in het hiernamaals. Verder eetwaren, potten en pannen

wapens, kleding en wat niet al. Het graf afgesloten

met een stenen deur, twintig meter onder het maaiveld.


Henk staat stil voor de grote deuren, verbaast zich

over de bronzen scharnierbussen, zodat ze gemakkelijk

open en dicht gaan door de lagering, maar moet dat?

Hoe vaak moeten de deuren open en dicht? Eenmaal

De koning in zijn jaden jas en ja, de levende have.

Fontanel van de koning open voor zijn ziel.


=

Miljoenpoot doet de Chinese Muur


Langzaam, sierlijk, met zijn cilindrisch lijf

Traag glijdt hij de trappen af, horizontaal

Verticaal, horizontaal, verticaal


En gratie Gods, dat is levensmoed.

Tussen toren eenentwintig en

Tweeëntwintig glijdt hij naar voren.


Hij denkt niet, maar hij gaat

golfsgewijs maar zeker naar

Tweeëntwintig, die hij in zijn korte


Leven niet zal halen, maar hij gaat

De trappen af. Voor hem geldt geen

Hoog of laag, op weg naar het einde.

=

Afscheid van Pan

Bij de laatste poortjes van het treinstation
Stond Pan, onze gids in Guangzhou, en hij keek ons na
Groot, gekleed in korte broek en shirt, zijn gezicht
Een beetje vertrokken, net niet te veel
Voor een man die afscheid moest nemen
Van de groep uit Holland, die hij leidde
met wie hij zijn kennis deelde, blij om wat
Hij wist, waarover hij trots was. Onwelwillend
Lid van de Partij, boos over corruptie
Over de heren in geblindeerde wagens
Die rondreden alsof het grote land
Persoonlijk bezit was, waarop zij meer recht
hadden dan een gewone gids en wij

Stonden aan de andere kant en wij klapten
In onze handen en wij bogen en keerden
En liepen naar de trein, zagen nog
Één maal zijn zwaaiende armen.


Geschonden herinnering



Op een nacht, waarschijnlijk

in de eerste week van oktober 1944

schoten jonge Duitse soldaten

in het weiland van Jo Vlieg

aan het Van Starkenborghkanaal

een kalf dood. Het dier was te zwaar

om het mee te kunnen nemen. Jo Vlieg

moest helpen, maar ook met een kruiwagen

lukte het niet.


Hoe het verder is afgelopen

kan niemand zich herinneren.

De emigrant




Wankelend, mij is de wereld
vreemd geworden als ik loop
van het gesprek met mijn kunst-
broeder naar huis waar ik
niet kan slapen, het bloed in mij
bonst en mijn waarneming afhangt
van mijn vermogen te bewegen.


Is de wereld nog toegankelijk
nog beschikbaar? Hoe lang al
voel ik mij bedorven, koud
omlaaggetrokken naar de aarde.


Nu sta ik op de dorpel
houd mij vast aan het kozijn
wacht op wie binnen wil komen
laat de punt van mijn stok neerkomen
steeds op een andere plek, beproef
de ruimte om mij heen.

Tegen de optimistische minnaar



Je bent de blije hond

die naar zijn bakje rent

ook als ik het niet heb gevuld.


Als ik je alleen laat

blijf je vrolijk zitten

bij de deur omdat je weet

dat ik toch weer terugkom.

Sebastiaan



De pijlen waren niet genoeg.

Geschoten door armen, benen

en de borst, het hoofd monddood

gemaakt - maar toen hij genas


en weer in de tuinen liep, de keizer

ontmoette, verweet hij hem fel

zijn kolossale wreedheid tegen

de god van liefde, duldzaamheid.


Toen werd hij doodgeknuppeld.

Geen onderwerp voor een schilderij.

Met pijlen staat hij afgebeeld

duldzaam, schoon en zonder bloed.



De IK



Men zegt: 'een illusie', maar hier

lig ik toch, je kunt op me zitten

voel maar, hier op de grond

nog niet er in en ook dan

een harde werkelijkheid.


Wat wil ik? Nadenken over

wat ik ben, was, word, juist

als ik weg ben, voorgoed

en ik hoop nog niet vergeten

al maakt ook dat niet veel meer uit.

Het heft in eigen hand



Dichters raakt het niet

zij vinden hun weg wel.


De poëzie kruipt waar zij

niet gaan mag, lopen kan.


De dichters zijn het gewend

dat de overheid hen gedoogt.


Maar de kinderen die muziek

willen leren kennen of niet


omdat zij niet weten wat ze missen

omdat de scholen gesloten worden


omdat muziek alleen voor

welgestelden bestaat


omdat men klassieke muziek

elitair vindt, hoewel een ieder


mag spelen en luisteren

omdat de politiek zegt


verstandig bezuinigen

is ook een kunst.